Op een lauwwarme maandagavond in de nazomer van 1977 reed ik op mijn bromfiets naar een gehucht waarvan ik zeker wist dat niemand me daar kende, een boerengat aan gene zijde van de Maas, de kant waarvan ze bij ons zeiden dat de inwoners ervan anders waren dan wij, simpeler, ouderwetser. Wij kwamen er nooit. Ik ging er naar toe om me te bedrinken.
Ik stopte bij een café met dichtgeweven vitrage voor ramen waarop in ouderwets glooiende letters ‘De vriendschap’ geschilderd was, stalde de Vespa met de achteloosheid waarmee een bestofte cowboy de teugels van zijn bezwete paard rond een balk slingert, opende de deur met een denkbeeldige riem schuin afhangend op mijn heupen, de holster met een revolver verborgen onder mijn ruimzittende jongenshemd. De filmscènes waarin John Wayne of Clint Eastwood de houten saloondeuren uit elkaar duwt, een cigarillo tussen de lippen geklemd, de rechterhand in de buurt van de niervormige greep van een colt, onverschrokken, alert, met dichtgeknepen ogen van pure concentratie, lagen ingeblikt klaar om mij op een dag als deze bij te staan, mij de moed te verschaffen in mijn eentje een vreemde ruimte te betreden en daar te doen wat ik me had voorgenomen.
Het was er aangenaam donker. Ik hou ervan als het verschil tussen buiten en binnen groot is, een genadige 40 watt het van de ongebreidelde zon overneemt, de natuur wordt geweerd, de contouren van de dingen vervagen. In de afgebakende wereld van het café gelden aparte wetten, is de voorstuwende kracht van de alledaagse tijd onklaar gemaakt, houden de gasten zich aan de stilzwijgende belofte dat we in deze ruimte gelijken zijn.